Gewichtsverlies
12
 min leestijd

BMI berekenen nieuwe methode: wat werkt?

Geschreven door
Bolt Med
Gepubliceerd
15.10.2026
Laatst bijgewerkt

BMI berekenen met een nieuwe methode staat volop in de wetenschappelijke belangstelling, omdat de traditionele formule uit de negentiende eeuw belangrijke beperkingen kent. De klassieke berekening houdt geen rekening met spiermassa, geslacht, leeftijd of vetverdeling, waardoor het gezondheidsrisico bij veel mensen wordt over- of onderschat. Nieuwe benaderingen, zoals een aangepaste exponent, de taille-lengteratio of lichaamssamenstelling-analyse, bieden een genuanceerder beeld. In dit artikel leest u wat de nieuwe methoden inhouden, wanneer ze zinvol zijn en wat de huidige Nederlandse richtlijnen adviseren.

Samenvatting: Een nieuwe BMI-berekening, zoals de formule met lengte tot de macht 2,5 of de taille-lengteratio, biedt een genuanceerder beeld van gezondheidsrisico dan de traditionele BMI, maar is nog geen officieel klinisch standaard in Nederland.

  • De traditionele BMI maakt geen onderscheid tussen vetmassa en spiermassa, wat leidt tot over- of onderschatting van gezondheidsrisico bij sporters, ouderen en mensen met een Aziatische achtergrond.
  • De aangepaste BMI-formule van Trefethen deelt gewicht door lengte tot de macht 2,5 in plaats van 2, maar is niet opgenomen in Nederlandse richtlijnen zoals de NHG-Standaard Obesitas.
  • De middelomtrek is de meest gebruikte aanvullende meting in de Nederlandse huisartsenpraktijk: verhoogd risico bij vrouwen vanaf 80 cm en bij mannen vanaf 94 cm (Europese drempelwaarden).
  • Voor mensen met een Zuid- of Oost-Aziatische achtergrond gelden lagere drempelwaarden: middelomtrek van 90 cm of meer bij mannen en 80 cm of meer bij vrouwen als grens voor verhoogd risico.
  • Geavanceerde methoden zoals DEXA-scan en bio-elektrische impedantieanalyse meten lichaamssamenstelling nauwkeuriger, maar zijn niet routinematig beschikbaar in de eerste lijn.
  • Bespreek twijfels over gewicht en gezondheidsrisico altijd met uw huisarts; zelfberekeningen via apps vervangen geen klinisch oordeel.

Wat zijn de beperkingen van de traditionele BMI-berekening?

De traditionele BMI houdt geen rekening met vetmassa versus spiermassa, geslacht, leeftijd of vetverdeling, waardoor het gezondheidsrisico bij veel individuen onjuist wordt ingeschat.

De traditionele BMI-berekening onderschat of overschat het gezondheidsrisico bij een aanzienlijk deel van de bevolking, omdat de formule geen rekening houdt met lichaamssamenstelling, geslacht of lichaamsvorm. De Body Mass Index wordt berekend door het gewicht in kilogram te delen door het kwadraat van de lengte in meters. Deze formule stamt uit de negentiende eeuw en werd oorspronkelijk ontwikkeld voor statistische doeleinden op bevolkingsniveau, niet als diagnostisch instrument voor individuen.[7]

Een belangrijk bezwaar is dat de BMI geen onderscheid maakt tussen vetmassa en spiermassa. Iemand met veel spiermassa, zoals een sporter, kan een BMI hebben die wijst op overgewicht, terwijl het aandeel lichaamsvet juist laag is. Omgekeerd kan iemand met een normaal BMI toch een relatief hoog percentage lichaamsvet hebben bij weinig spiermassa, een situatie die in de wetenschappelijke literatuur wel wordt beschreven als "normaal gewicht obesitas".

Daarnaast houdt de traditionele formule geen rekening met:

  • Geslacht: vrouwen hebben van nature een hoger vetpercentage dan mannen bij hetzelfde BMI[13][14]

  • Leeftijd: het aandeel vetmassa neemt toe met de leeftijd, ook zonder gewichtsverandering

  • Etnische achtergrond: bij mensen met een Aziatische achtergrond zijn gezondheidsrisico's al aanwezig bij een lager BMI dan de gangbare drempelwaarden; internationale organisaties zoals de WHO en de International Diabetes Federation (IDF) hanteren daarom etniciteitsspecifieke drempelwaarden[8][9]

  • Vetverdeling: buikvet (visceraal vet) is metabolisch actiever dan onderhuids vet, maar de BMI maakt dit onderscheid niet

De NHG-Standaard Obesitas en de NHG-Standaard CVRM erkennen dat de BMI een beperkt instrument is en adviseren aanvullende metingen, zoals de middelomtrek, om het cardiometabool risico beter in te schatten.[1][2] Voor publieksgerichte uitleg verwijst Thuisarts.nl naar dezelfde aanpak. De BMI blijft een bruikbaar screeningsinstrument op bevolkingsniveau, maar is onvoldoende als enige maatstaf voor individuele gezondheidsbeoordeling.

Methode Wat wordt gemeten Drempelwaarden (Europese volwassenen) Voordelen Beperkingen
Traditionele BMI (gewicht / lengte²) Gewicht gecorrigeerd voor lengte Overgewicht: 25 of meer; obesitas: 30 of meer Eenvoudig, breed gevalideerd op bevolkingsniveau Geen onderscheid vet- versus spiermassa, geen rekening met geslacht, leeftijd of etniciteit
Aangepaste BMI Trefethen (gewicht / lengte²·⁵) Gewicht gecorrigeerd voor lengte met hogere exponent Nog niet vastgesteld in officiële richtlijnen Corrigeert gedeeltelijk voor lengte-effect bij grote en kleine mensen Niet opgenomen in NHG-standaarden of Zorgstandaard Obesitas; geen klinische standaard
Middelomtrek Visceraal vet (buikvet) Verhoogd risico: vrouwen 80 cm of meer, mannen 94 cm of meer; sterk verhoogd: vrouwen 88 cm of meer, mannen 102 cm of meer Aanbevolen door NHG en WHO; eenvoudig uitvoerbaar in huisartsenpraktijk Lagere drempelwaarden gelden voor mensen met Aziatische achtergrond (mannen 90 cm, vrouwen 80 cm)
Taille-heupratio (THR) Vetverdeling: appel- versus peervorm Verhoogd risico: vrouwen meer dan 0,85; mannen meer dan 0,90 Geeft inzicht in cardiometabool risico door vetverdeling Vereist twee metingen; minder gangbaar in Nederlandse eerstelijnszorg
Taille-lengteratio (TLR) Buikomvang in verhouding tot lichaamslengte Verhoogd metabolisch risico bij waarde boven 0,5 Onafhankelijk van geslacht en etniciteit bruikbaar volgens systematische review Ashwell Nog geen standaard in Nederlandse richtlijnen
Bio-elektrische impedantieanalyse (BIA) Vetpercentage via elektrische weerstand Afhankelijk van geslacht en leeftijd; raadpleeg SmPC of klinische norm Beschikbaar in klinieken en via consumentenapparaten Gevoelig voor hydratatiestatus; minder nauwkeurig dan DEXA
DEXA-scan Vetmassa, spiermassa en botdichtheid Referentiemethode; normen afhankelijk van geslacht en leeftijd Nauwkeurige referentiemethode voor lichaamssamenstelling Kostbaar, niet routinematig beschikbaar, lage maar aanwezige stralingsdosis

Welke nieuwe methoden bestaan er om lichaamsgewicht te beoordelen?

Aanvullende methoden zijn de middelomtrek, taille-heupratio, taille-lengteratio, DEXA-scan en bio-elektrische impedantieanalyse, elk met eigen nauwkeurigheid en toepasbaarheid in de praktijk.

Naast de traditionele BMI zijn er meerdere aanvullende en alternatieve methoden beschikbaar om lichaamsgewicht en gezondheidsrisico beter te beoordelen, elk met eigen voor- en nadelen.

De meest gebruikte aanvullende meting in de huisartsenpraktijk in Nederland is de middelomtrek. De NHG-Standaard Obesitas en de WHO hanteren twee gradaties voor Europese populaties:

  • Verhoogd risico: middelomtrek van 80 cm of meer bij vrouwen en 94 cm of meer bij mannen

  • Sterk verhoogd risico: middelomtrek van 88 cm of meer bij vrouwen en 102 cm of meer bij mannen

Voor mensen met een Zuid- of Oost-Aziatische achtergrond gelden lagere drempelwaarden (IDF-consensusverklaring 2005/2006): voor mannen geldt een grens van 90 cm of meer als verhoogd risico; voor vrouwen 80 cm of meer.[8][9] Thuisarts.nl legt deze drempelwaarden toegankelijk uit.

Een andere veelgebruikte maat is de taille-heupratio (THR), die de verhouding tussen de middelomtrek en de heupomtrek uitdrukt. Volgens de WHO wijst een THR van meer dan 0,85 bij vrouwen en meer dan 0,90 bij mannen op een verhoogd risico door een appelvormige vetverdeling, die sterker geassocieerd is met hart- en vaatziekten dan een peervormige verdeling.[7]

Voor een nauwkeurigere meting van de lichaamssamenstelling bestaan meer geavanceerde technieken:

  • DEXA-scan (Dual-Energy X-ray Absorptiometry): een veelgebruikte referentiemethode voor het meten van vetmassa, spiermassa en botdichtheid, maar kostbaar, niet routinematig beschikbaar en gepaard gaand met een lage stralingsdosis; methodologisch geldt een 4-compartimentmodel als de meest nauwkeurige standaard

  • Bio-elektrische impedantieanalyse (BIA): meet de weerstand van elektrische stroom door het lichaam om vetpercentage te schatten; beschikbaar in sommige klinieken en via consumentenapparaten, maar gevoelig voor hydratatiestatus

  • Huidplooidikte-meting: een getrainde professional meet met een huidplooimeetapparaat het onderhuids vet op meerdere plaatsen; arbeidsintensief maar relatief goedkoop

De taille-lengteratio (TLR) wint aan wetenschappelijke aandacht. Ashwell en collega's toonden in een systematische review aan dat een waarde boven 0,5 geassocieerd is met een verhoogd metabolisch risico, ongeacht geslacht of etnische achtergrond.[10] Geen van deze methoden vervangt een volledig klinisch oordeel, maar ze bieden samen een genuanceerder beeld dan de BMI alleen.

Hoe werkt de nieuwe BMI-formule en wat meet die precies?

De aangepaste formule van Trefethen deelt gewicht door lengte tot de macht 2,5, wat lengtebias gedeeltelijk corrigeert, maar meet geen vetverdeling of spiermassa en is geen officiële Nederlandse standaard.

Al rond 2013 stelde de Britse wiskundige Nick Trefethen (University of Oxford) voor om de traditionele BMI-formule aan te passen door het gewicht te delen door de lengte tot de macht 2,5 in plaats van tot de macht 2. De formule luidt: gewicht (kg) gedeeld door lengte (m) tot de macht 2,5. Door de hogere exponent corrigeert de formule gedeeltelijk voor het feit dat grotere mensen bij hetzelfde vetpercentage een hogere traditionele BMI hebben, simpelweg omdat hun gewicht sneller toeneemt dan hun lengte.

Dit voorstel heeft wetenschappelijke discussie opgeleverd, maar is niet breed geaccepteerd als klinische standaard. Sommige onderzoekers hebben aanvullend voorgesteld een correctiefactor voor geslacht toe te voegen, omdat vrouwen bij hetzelfde gewicht en dezelfde lengte gemiddeld meer lichaamsvet hebben dan mannen. Deze geslachtscorrectie is echter niet eenduidig vastgesteld in de literatuur en wordt soms verward met andere indices, zoals de Relative Fat Mass (RFM), die door Woolcott en Bergman (2018) werd beschreven en gebruik maakt van middelomtrek en lengte.[12]

Wat de aangepaste formule (lengte^2,5) wel beoogt:

  • Een betere schatting van het relatieve lichaamsgewicht gecorrigeerd voor lengte bij mensen van uiteenlopende lichaamsbouw

  • Een iets nauwkeurigere benadering van het vetpercentage op groepsniveau in vergelijking met de traditionele BMI

Wat de formule niet meet:

  • De verdeling van vet over het lichaam (visceraal versus onderhuids)

  • Spiermassa of botdichtheid

  • Individuele metabolische gezondheid

Belangrijk om te weten is dat deze herziene formule niet is opgenomen in officiële Nederlandse richtlijnen, zoals de NHG-Standaard Obesitas, de NHG-Standaard CVRM of de Zorgstandaard Obesitas van het Zorginstituut Nederland. Drempelwaarden voor overgewicht en obesitas zijn voor de nieuwe berekening nog niet vastgesteld. De formule bevindt zich in een fase van wetenschappelijke discussie en is vooralsnog geen standaardinstrument in de klinische praktijk in Nederland.

Wanneer is een nieuwe berekeningsmethode zinvol voor jou?

Een aanvullende meting is zinvol bij veel spiermassa, veel buikvet bij normaal BMI, een Aziatische achtergrond of een familiegeschiedenis van hart- en vaatziekten of diabetes type 2.

Een aanvullende of herziene berekeningsmethode is vooral zinvol als de traditionele BMI een onvolledig of mogelijk misleidend beeld geeft van jouw gezondheidsrisico. Dit kan het geval zijn in een aantal specifieke situaties. Als je veel sport en relatief veel spiermassa hebt, kan een hoge BMI ten onrechte wijzen op overgewicht, terwijl je vetpercentage laag is. In dat geval geeft een meting van de middelomtrek of een lichaamssamenstelling-analyse meer relevante informatie.

Omgekeerd kan een normaal BMI een vals gevoel van geruststelling geven als je weinig spiermassa hebt en relatief veel buikvet. Mensen met een zittend beroep, ouderen en mensen met een Aziatische achtergrond lopen vaker dit risico. Voor mensen met een Zuid- of Oost-Aziatische achtergrond gelden lagere drempelwaarden voor de middelomtrek, zoals vastgesteld door de WHO en de IDF: voor mannen 90 cm of meer en voor vrouwen 80 cm of meer als grens voor verhoogd risico.

Situaties waarin aanvullende meting zinvol kan zijn:

  • BMI ligt net onder of net boven een drempelwaarde en je twijfelt aan de betekenis ervan

  • Je hebt een familiegeschiedenis van hart- en vaatziekten, diabetes type 2 of metabool syndroom

  • Je bent ouder dan 50 jaar en je gewicht is stabiel, maar je lichaamssamenstelling is mogelijk veranderd

  • Je bent zwanger geweest of in de overgang: hormonale veranderingen beïnvloeden de vetverdeling

Bespreek twijfels over je gewicht en gezondheidsrisico altijd met je eigen huisarts. Die kan beoordelen welke aanvullende metingen zinvol zijn en of verdere diagnostiek nodig is. Zelfberekeningen via apps of websites kunnen een eerste indruk geven, maar vervangen geen klinisch oordeel. In Nederland bel je 112 bij acute klachten zoals pijn op de borst of ernstige kortademigheid; voor niet-spoedeisende vragen buiten kantooruren is de huisartsenpost het juiste aanspreekpunt.

Scientific References

  1. .
  2. .
  3. .
  4. .
  5. .
  6. .
  7. .
  8. .
  9. .
  10. .
  11. .
  12. .
  13. .
  14. .
  15. .
  16. .

Frequently Asked Questions

Is de nieuwe BMI-formule met lengte tot de macht 2,5 officieel erkend in Nederland?

Nee, de aangepaste formule van Trefethen is niet opgenomen in Nederlandse richtlijnen zoals de NHG-Standaard Obesitas of de Zorgstandaard Obesitas. De formule bevindt zich nog in een fase van wetenschappelijke discussie en er zijn geen officiële drempelwaarden voor overgewicht of obesitas vastgesteld.

Welke aanvullende meting naast de BMI wordt aanbevolen door de huisarts in Nederland?

De NHG-Standaard Obesitas adviseert de middelomtrek als aanvullende meting. Voor Europese vrouwen geldt een verhoogd risico bij 80 cm of meer en een sterk verhoogd risico bij 88 cm of meer; voor Europese mannen zijn de grenzen respectievelijk 94 cm en 102 cm.

Waarom klopt de BMI niet voor mensen met veel spiermassa?

De BMI-formule maakt geen onderscheid tussen vetmassa en spiermassa. Iemand met veel spiermassa kan een hoge BMI hebben die ten onrechte wijst op overgewicht, terwijl het werkelijke vetpercentage laag is. Een middelomtrekmeting of lichaamssamenstelling-analyse geeft in dat geval een betrouwbaarder beeld.


Redactionele verantwoording

De medische informatie op deze pagina is gebaseerd op erkende, wetenschappelijk onderbouwde bronnen en wordt periodiek herzien op juistheid en actualiteit. De informatie is uitsluitend bedoeld voor algemene voorlichting.

Disclaimer

Deze informatie vervangt geen persoonlijk medisch advies, diagnose of behandeling. Neem bij klachten of vragen altijd contact op met uw eigen huisarts of apotheker. Deze pagina is voorlichting en geen aanbod: of een behandeling geschikt is, wordt beoordeeld tijdens een medische consultatie.